Krullen van Rozenhout – Proloog

Toen het sterven niet wilde lukken en de dood steeds vaker de voorkeur gaf aan mensen om hem heen, sloeg de verveling toe. Er was niets meer wat hem verbaasde, niets meer wat een glimlach op zijn gezicht kon toveren. Hij was klaar met het leven, althans dat vond hij zelf. Meerdere keren had hij zijn toestand met de Eeuwige besproken, maar er kwam geen duidelijk antwoord. Geen droom waarin een uitleg gegeven werd en geen ander antwoord dan keer op keer een nieuwe morgen. Hij vroeg zich af of hij met al zijn rijkdom nog een bombastisch gebouw aan de verzameling moest toevoegen of misschien nog een nieuwe handelsroute moest opzetten. Hij had er geen zin meer in. Na zijn laatste project “Conserveren” was hij klaar geweest. Het was het sluitstuk waar hij de laatste tien jaar aan had gewerkt. Salomo had zich vaak afgevraagd hoe hij zijn wijsheid kon doorgeven aan de generaties na hem, maar tot zijn spijt moest hij constateren dat zijn kinderen geen enkele blijk gaven van het slagen daarvan. Zijn wijsheid zou met hem het graf in gaan, maar zijn rijkdom, dat moest en zou hij doorgeven. De profeten waren duidelijk geweest; Uit het huis van zijn vader David zou de grote koning komen. Zijn familie moest rijk en machtig blijven.

Dagen had Salomo door de grote zaal van zijn paleis lopen ijsberen. Zijn voetstappen galmden in een trage maar vaste tred door de bijna lege ruimte. Het was een bijna lege zaal met aan de achterkant alleen een verhoging met drie stoelen keurig naast elkaar tegen de witte achterwand. Salomo in zijn jonge jaren met een kleine sprong de verhoging kunnen beklimmen. De middelste stoel was het breedst en had als enige een hoge rugleuning. Het was zijn troon. Aan beide kanten van de rugleuning waren van fijn houtsnijwerk twee cherubijnen gesneden. Samen hielden ze precies boven het hoofd van Salomo een kroon vast. Als hij op zijn troon zat leek het alsof de kroon maar boven hem bleef hangen en het vertikte om op zijn hoofd neer te dalen. De twee andere stoelen waren zo eenvoudig dat het bijna gênant was. Salomo kon al lang niet meer met een mooie elegante sprong op de verhoging springen en had opdracht gegeven tot het uithouwen van een trap aan de zijkant van de verhoging, pal tegen de buitenmuur aan. Het waren maar een paar treden. Salomo noemde de trap: “De trap van het verval”. Gelukkig was de trap er al toen Salomo één van zijn grootste uitspraken als rechter deed. Zijn beroemde “Salomo’s oordeel” maakte hem legendarischer dan hij al was en dat verhulde het verval. Niemand sprak er schande van dat Salomo via een trap aan de zijkant voor de verhoging zijn troon moest bereiken. Dat kwam door dat ene oordeel, die legendarische uitspraak. Hij zag de twee vrouwen nog voor hem staan. Beide met vuur in de ogen. Een meisje van een jaar of tien stond angstig met een baby in haar handen tussen de twee vrouwen in. Met een trillende stem had ze toestemming om te mogen spreken gevraagd. Salomo had geknikt.

      ‘Deze twee vrouwen zijn de bijvrouwen van een Heer die op dit moment op reis is. Beide vrouwen zijn zwanger van hem en hebben tegelijk in de zelfde nacht een kind gekregen. Eén van de twee kinderen is helaas zonder ziel geboren.’

      Het meisje keek een tijd lang naar de grond en daarna met een tedere blik naar het kind in haar handen.

      ‘Eigenlijk weet niemand,’ vervolgde ze,  ‘behalve deze twee vrouwen, van wie dit kind is en van wie het kind zonder ziel is.’

      ‘Dit levende kind is van mij,’ had één van de vrouwen geschreeuwd.’

      ‘Dat is niet waar. Jij gemeen onderkruipsel. Jij bent…’

      ‘Stilte,’ had Salomo geschreeuwd en het was stil. Iedereen had gespannen naar Salomo gekeken die één voor één de vrouwen in zich opnam. Toen had hij het meisje de baby naar hem laten brengen.

      ‘Geef mij mijn zwaard. Ik zal het kind eerlijk verdelen, ieder een helft.’

      Eén van de vrouwen had hem onbewogen aangekeken, terwijl de andere lijkbleek werd en had geschreeuwd: ‘Geef het kind aan haar, maar laat het leven.’

      Ze zakte schreeuwend van verdriet in elkaar. De blik van de andere vrouw was veranderd van onbewogen naar triomfantelijk.  Ze wilde naar Salomo toelopen om het kind van hem over te nemen.

      ‘Niets daarvan!’ had Salomo venijnig tegen de vrouw geroepen. ‘Alleen een echte moeder kan een kind weggeven om zo zijn leven te redden. U bent de moeder van het kind zonder ziel. Ik veroordeel u ter dood voor de poging tot het stelen van een kind.’

Toen de vrouw was weggevoerd, was Salomo met de baby in zijn handen naar de moeder, die nog steeds op de grond zacht zat te huilen, gelopen.

      ‘Hier vrouw uw kind, geef het alles wat u het kunt geven, maar vooral liefde.’

Rechts van zijn troon zat zijn vrouw en aan de linkerkant zijn belangrijkste adviseur en vriend Abinadab. Het zonlicht viel door de twaalf ramen naar binnen. Het verlichtte op de zwart marmeren vloer het vaste patroon van Salomo’s ijsberen. Bij iedere stap kreeg “Conserveren” meer vorm totdat uiteindelijk Salomo ging zitten en Abinadab bij zich liet komen.

      ‘Abinadab,’ zei Salomo, ‘ik ben gezegend met vele dochters en zonen. Laat ze in alle streken, waar wij in de jaren heen gevaren zijn, trouwen met de vaklieden, met de leerlooiers, steenhouwers en timmerlieden. Geef ze in ruil voor hun loyaliteit goud en beloof de aangetrouwden een vaste afname van hun producten zolang ze niet met andere afnemers in zee gaan. Ik wil dat onze families ervoor gaan zorgen dat we hun producten ook daadwerkelijk opkopen en ze vervolgens verschepen om ze in andere gebieden weer te verhandelen. De winst verdelen we tussen onze twee huizen in de verhouding drie voor het huis van David en één voor het huis van Abinadab.’

      Abinadab keek zijn oude vriend aan en zei met een gemoedelijke warme stem: ‘Laten we dat de komende tijd eens verder gaan uitwerken. Wij kunnen hier samen iets moois van kunnen maken.’

      En zo kwam het dat twee oude mannen, die gemoedelijk in de schaduw van een grote eikenboom, langzaam, maar gestaag, hun plannen aan het vormen waren. Soms keken ze tijden in het niets en leek het alsof ze van elkaars bestaan niets meer afwisten, maar als de éne oude man met een zacht krakende stem weer begon te praten, was het verbluffend hoe de andere daar moeiteloos in mee kon gaan. Alsof ze samen al die tijd dezelfde gedachten hadden gehad.

Op een morgen gingen Salomo en Abinadab niet onder de boom zitten, maar aan de grote tafel in de werkkamer van Salomo. Hij liet een aantal van zijn schrijvers komen en toen de mannen hun schrijfgerei klaar hadden liggen begon Salomo met het lange dicteren. Af en toe vulde Abinadab Salomo aan en zo werden de plannen aan het papier toevertrouwd.

      Na dagen dicteerde Salomo de laatste zin: ‘En zo zal het huis van David altijd verbonden zijn met het huis van Abinadab.’

      De schrijvers controleerden de teksten en toen Salomon en Abinadab de documenten hadden ondertekend lieten ze hun oudste zonen komen. De twee jongens waren al jaren boezemvrienden van elkaar en deden net als hun vaders het liefst alles samen. Toen ze in detail de essentie van “Conserveren” leerden kennen zwoeren de twee jongens onvoorwaardelijk trouw aan elkaar.

De jaren daarna voeren vele schepen van Salomo naar verre streken en kochten de kinderen van Salomo zich via het huwelijk in bij de beste vaklieden en de grootste leveranciers van grondstoffen. Marmer, textiel, hout, potten, kruiken, wijn, tin, koper, overal kocht het huis van David zich in. Producten werden bijna altijd afgenomen. De schepen voeren afgeladen de havens uit en zetten direct koers naar de plaatsen waar de producten of grondstoffen weer werden verkocht. Abinadab, als grote administrator, zag de producten nooit, hij zag alleen de winst en de geschreven aantallen. Dat wat niet verkocht kon worden werd opgeslagen totdat er wel vraag naar was.

      ‘Vraag is niet iets wat ontstaat, vraag creëer je door mensen te overtuigen van het feit dat ze iets missen in hun leven en dat jij dat wat ze missen in grote hoeveelheden aan ze kunt leveren,’ zei Salomo en hij stuurden zijn zonen de wereld in om de mensen in de straten en op de markten te confronteren met hun vreselijke gemis. “Conserveren”, het grote netwerk van handel en macht, was langzaam tot leven gekomen. Salomo was klaar, maar de Eeuwige liet hem wachten. De grote mannen die met al hun wijsheid hadden geregeerd, werden door de wereld om hen heen steeds minder opgemerkt. Af en toe werden ze nog als helden genoemd in de beschrijvingen van hun werken, maar niemand had nog het besef dat die helden de twee oude mannen waren, die traag onder de oude boom hun dagen voorbij lieten gaan. Af en toe haalden ze samen herinneringen op. Korte overpeinzingen zonder enig opbeurend effect. Goed voor een ochtend vol weemoed. Zonder dat ze er samen afspraken over maakten werden herinneringen afgeschaft. De mannen leefden niet meer in het verleden en een toekomst hadden ze niet. Ze leefden bij de dag, zonder de dagen nog van elkaar te kunnen onderscheiden. Behalve de dag dat Abinadab stierf, die dag was anders dan alle andere dagen. Het was de dag waarop Salomo eenzaamheid als beste vriend kreeg. Een vriendschap die pas na lange tijd ophield te bestaan.